Onderzoek naar strafverzwaring bij hatecrimes

De minister van Justitie en Veiligheid Ferd Grapperhaus gaat onderzoek laten verrichten naar de mogelijkheid discriminatoir oogmerk als een wettelijke strafverzwaringsgrond in te stellen bij rechtszaken. Dat laat hij weten in een brief aan de Tweede Kamer.

Aanleiding voor de brief waren de schriftelijke vragen van GroenLinks-Kamerlid Kathalijne Buitenweg en ChristenUnie-fractievoorzitter Gert-Jan Segers. In zijn beantwoording geeft minister Grapperhaus aan het met de Kamerleden eens te zijn dat “de dreiging in het geval van een racistisch, religieus, homofoob of antisemitisch oogmerk bij bijvoorbeeld vernieling, mishandeling of geweld, verder reikt dan het individu waarop deze vernieling, mishandeling of geweld gericht is, doordat deze handelingen gericht zijn tegen het individu als lid van een vermeend minderwaardige groep.” “Discriminatie raakt zo niet alleen individuele personen, maar de gehele samenleving,” aldus de minister.

Pleit voor strafverzwaring
Het CIDI is het eens dat meer gedaan moet worden tegen discriminerend geweld. De antisemitismewaakhond pleit dan ook al langere tijd voor toevoeging van een rechtsartikel in het hoofdstuk geweldsmisdrijven. Antisemitische geweldsmisdrijven dienen te leiden tot strafverzwaring. In het geval van geweldsmisdrijven met een antisemitisch of anderszins discriminerend karakter heeft het misdrijf niet alleen impact op het slachtoffer zelf maar ook op de getroffen gemeenschap en op de samenleving als geheel. Invoering van een nieuw wetsartikel geeft een krachtig signaal aan de Joodse gemeenschap en aan de samenleving dat haatmisdrijven in Nederland niet worden geaccepteerd.

Vanwege de vergrotende dreiging die uitgaat van een hatecrime, pleiten ook Buitenweg en Segers voor strafverzwaring in het geval van een dergelijk misdrijf. Volgens de Kamerleden stelt dat een duidelijk norm en kan het daarnaast een preventief effect hebben. Ze roepen daarom minister Grapperhaus op voorstellen te doen zodat discriminatoire motieven aangemerkt gaan worden als een strafverzwarende omstandigheid, die leiden tot een verhoging van de straf.

De Kamerleden wijzen hierbij erop dat in het verleden de European Commission against Racism and Intolerance (ECRI) de Nederlandse regering heeft geadviseerd om een strafrechtbepaling in te voeren waarin racistische motieven worden aangemerkt als strafverzwarende omstandigheid. Dit advies werd echter in 2016 door het toenmalige Kabinet aan de kant geschoven, daar de regering ervan overtuigd was al voldoende uitvoering te geven aan “hetgeen met de aanbeveling van het Comité wordt beoogd.”

Minister Grapperhaus geeft aan het met de Kamerleden eens te zijn “dat het van belang is dat een discriminatie-aspect meegewogen wordt bij de straftoemeting en dat een duidelijk signaal wordt afgegeven aan daders en samenleving dat dergelijk gedrag niet geaccepteerd wordt.”

Onderzoek naar discriminatie als strafverzwarende omstandigheid
Naar aanleiding van het verzoek om voorstellen te doen, heeft minister Grapperhaus toegezegd  onderzoek te gaan laten verrichten naar mogelijkheden om discriminatie als strafverzwarende omstandigheid mee te nemen in rechtszaken. Het onderzoek, zo laat Grapperhaus weten, zal uit twee delen bestaan. In het eerste deel zal gekeken worden naar andere landen die al een discriminatoir oogmerk als strafverzwarende omstandigheid betrekken, en hoe dit in de praktijk uitwerkt. In het tweede deel van het onderzoek zullen beleidsintensiveringen van de afgelopen jaren onder de loep worden genomen, en of zij tot gewenste effecten hebben geleid.

“Onderstreept wordt dat discriminatie in Nederland niet wordt geaccepteerd,” aldus minister Grapperhaus. Het introduceren van een discriminatoir oogmerk als een wettelijke strafverzwaringsgrond behoort volgens de minister van CDA huize dan ook tot de mogelijke aanvullingen op het bestaande beleid. In zijn brief aan de Kamer geeft de bewindsman aan dat van hieruit een signaal kan uitgaan “dat aan een discriminatoir motief in Nederland extra zwaar wordt getild.”

IHRA-werkdefinitie nuttig instrument
De minister plaatst echter ook een kanttekening in zijn brief:

Tegelijkertijd moet worden voorkomen dat introductie van een strafverzwarende omstandigheid in de wet de vervolging van codis juist moeilijker maakt. Immers, wanneer een strafverzwarende omstandigheid in de wet wordt opgenomen, zal, om deze mee te kunnen wegen, die omstandigheid steeds wettig en overtuigend moeten zijn bewezen.

In het geval van antisemitisme kan dit bewezen worden door de omstandigheid te toetsen aan de IHRA-werkdefinitie. Deze definitie verschaft opheldering wanneer er sprake is van een antisemitisch oormerk. Eerder gaf het Kabinet echter aan “geen toegevoegde waarde” te zien in het vastleggen van de werkdefinitie in Nederlandse wetgeving. Het statement van minister Grapperhaus hierboven toont aan dat de IHRA-definitie wel degelijk een toegevoegde waarde kan hebben, namelijk in het wettig en overtuigend vaststellen of er sprake is van een antisemitische omstandigheid.

Het aannemen van de definitie wordt gesteund door het Europees Parlement. Een aantal landen en steden in Europa hebben de IHRA-definitie al formeel aangenomen. In Amsterdam heeft een groot deel van de deelnemende partijen vooraf aan de gemeenteraadsverkiezingen in Amsterdam het Joods Akkoord ondertekend. In dit akkoord wordt de definitie als maatstaf genoemd voor het aanpakken van antisemitisme.

Het CIDI is al jaren voorstander van het in Europees verband aannemen van de werkdefinitie antisemitisme. Het hebben van één definitie van antisemitisme draagt bij aan uniforme dataverzameling. Antisemitisme kan zo beter worden herkend en geregistreerd, en er kunnen vergelijkingen tussen landen worden gemaakt. De definitie is vooral belangrijk voor landen die pas sinds kort antisemitisme monitoren, en is meestal juist daar erg nodig. Bovendien is de werkdefinitie een belangrijke stap in de bestrijding van online antisemitisme. Op dit moment maken antisemitische websites nog gebruik van het verschil in regelgeving in verschillende landen. Een uniforme definitie steekt hier een stokje voor, omdat er overeenstemming is over wat antisemitisme is.