Resultaten EU-breed onderzoek naar antisemitisme gepresenteerd

In brede zin bevestigen de resultaten het beeld dat reeds bekend was van het antisemitisme in Nederland. Het wordt als groot en zelfs groeiend probleem ervaren. Het internet wordt gezien als grote bron van antisemitische haatspraak, het Arabisch-Israelisch conflict slaat vaak over in antisemitische uitingen, en het uiten van de Joodse identiteit wordt uit veiligheidsoverwegingen vaak gemeden.

De Fundamental Rights Agency (FRA) is een agentschap van de EU dat onderzoeken en metingen uitvoert op het gebied van racisme en discriminatie in de EU. Zojuist heeft het de resultaten gepresenteerd van een rondvraag onder Joodse inwoners van de EU, die om de 5 jaar wordt doorgevoerd.

Met deelnemers uit 12 EU-landen, die samen het thuis zijn van een geschatte 96% van de Joodse bevolking in de EU, gaat het om een van de meest uitgebreide onderzoeken naar antisemitisme op het continent.

Het gaat om een vervolgonderzoek van een vergelijkbare rondvraag die in 2012 werd doorgevoerd. Toen was Nederland niet een van de deelnemende landen; nu dus wel. De resultaten over Nederland (gebaseerd op de deelname van 1,202 deelnemers) laten daarom geen ontwikkelingen zien, maar vormen wel een uitgebreide momentopname. Ook CIDI heeft eerder dit jaar meegeholpen met het verspreiden van de rondvraag.

Waarom dit onderzoek?

Meten is weten. Antisemitisme is berucht ongrijpbaar als fenomeen. Concrete gegevens zijn daarom belangrijk om prioriteiten in (beleidsmatige) aanpak van het probleem te kunnen stellen.

Antisemitisme kent geen landsgrenzen. Dit is eens te meer bevestigd door het huidige onderzoek: zorgen over antisemitisme verschillen tussen de EU-landen alleen in mate, niet in vorm. Daarom is het van belang om een uitgebreide momentopname te hebben van antisemitisme in verschillende EU-landen.

Tenslotte geven de resultaten zelf aan waarom het onderzoek nodig is geweest. Zo gaf 28% van de ondervraagden in het afgelopen jaar minstens één keer antisemitisch te zijn bejegend, 34% dat ze wel eens Joodse plaatsen of evenementen vermijden vanwege zorgen over veiligheid, en 38% dat ze wel eens hebben overwogen te emigreren omdat ze zich onveilig voelen om als Joods door het leven te gaan. Dit zijn allen zorgen die niet zouden moeten bestaan in een open en vrije samenleving.

Voornaamste bevindingen en trends: een overzicht

Een overgroot deel van de ondervraagden (85%) geeft aan antisemitisme als sociaal-maatschappelijk probleem te zien. In Nederland, Duitsland, België en Frankrijk wordt het zelfs vaker als probleem gezien dan racisme in zijn algemeenheid.

In 2012 werd dezelfde rondvraag uitgevoerd in 7 van de landen die ook in 2018 werden meegeteld. Alleen op basis van die 7 landen kunnen dus trends worden gesignaleerd. Opvallend hierbij is dat alleen in Hongarije een dalend aandeel van respondenten antisemitisme in hun land als “groot” of “heel groot” probleem ziet. De grootste toenames zijn in het VK en Duitsland – met 27 en 23 procentpunten, respectievelijk. Hoogstwaarschijnlijk heeft dit veel te maken met antisemitische uitingen – of het onvoldoende verwerpen ervan – door de politieke partijen Labour en Alternative für Deutschland.

Ook in de momentopname van 2018 gaf een grote meerderheid aan de indruk te hebben dat antisemitisme toeneemt: EU-breed 89%, in Nederland 90%. Het onderzoeksrapport vergelijk dit met de ervaring van moslimhaat, wat eveneens in de perceptie van de ondervraagden is toegenomen (in Nederland volgens 90% van de ondervraagden).

In alle deelnemende landen bestaat de meeste eensgezindheid over antisemitisme op het internet als probleem, ten aanzien van antisemitisme in andere sferen. In Nederland ziet 80% dit als een probleem, gevolgd door intimidatie op straat en antisemitisme in de media (71% en 63%). Antisemitisme in de politiek wordt door 49% als een probleem gezien.

Nederland kent van de deelnemende landen het hoogste aandeel ondervraagden dat minstens af en toe Joodse evenementen of plaatsen vermijdt vanwege veiligheidsoverwegingen (met 43%). Ook met het vermijden van symbolen waarmee iemand als Joods gezien kan worden (zoals een keppel of een ketting met davidster) “scoren” Nederlandse respondenten hoog: 33% zegt dit vaak of altijd te doen (tegen een EU-gemiddelde van 28%); het aandeel dat dit minimaal soms doet is 71%.

Opvallende bevindingen Nederlandse context

Wellicht in lijn met dit gegeven is het relatief grote aandeel Nederlandse respondenten dat de aanpak van antisemitisme door de overheid en getroffen veiligheidsmaatregelen als inefficiënt en onvoldoende beschouwt (79%). Dit komt ook naar voren in het beeld over veiligheidsmaatregelen getroffen: een relatief hoog percentage (58%) vindt dat de inspanningen van de overheid op dit gebied te wensen overlaten.

Opvallend is ook dat in Nederland een relatief groot aandeel volgens de bevindingen niet op de hoogte is van een wet die haatspraak of aansporing tot geweld verbiedt (61%). In Nederland bestaat dergelijke wetgeving wel. De rest van de ondervraagden is dus of niet bekend, of denkt dat dergelijke wetgeving niet bestaat. Mogelijk wijst dit op een gebrekkig vertrouwen in melden of doen van aangifte van antisemitische incidenten.

Van de ondervraagden heeft slechts 25% laten weten antisemitische incidenten die ze zijn overkomen, te hebben gemeld bij de politie, een belangenorganisatie of elders. Dit is een belangrijk gegeven, aangezien het een inzicht geeft in de hoe representatief rapportages zijn over discriminatie die van meldingen uitgaan.

Omdat het onderzoek uitgaat van ervaring, is ook de vraag gesteld wat deelnemers mogelijk ervaren als antisemitisch. Opvallend is hierbij dat Nederland het één na hoogte percentage respondenten heeft dat kritiek op Israel niet als antisemitisch beschouwt (75%).

Aanbevelingen voor beleid

Uit de gegevens komt naar voren dat vertrouwen van de Joodse bevolking in de aanpak van antisemitisme door de overheid, beter kan. Ook de kennis van relevante wetgeving op het gebied van haatspraak laat dit zien. De relatief hoge meldingsbereidheid in Nederland laat echter zien dat betrokkenheid van Joodse inwoners zelf wel degelijk aanwezig is, en daarmee dat een constructievere verhouding mogelijk moet zijn.

De volgende beleidsaanbevelingen kunnen daarom afgeleid worden uit de resultaten:

  • Hanteer de IHRA-werkdefinitie van antisemitisme, en blijf dit consistent doen. De Tweede Kamer heeft hier al gehoor aan gegeven door te stemmen voor een motie die de regering hiertoe oproept. Dit is een welkome stap in de goede richting, die kan helpen antisemitische daden als dusdanig te identificeren. Zulke daden moeten als dusdanig benoemd, om een krachtig signaal te geven dat tegen antisemitisme opgetreden wordt, zodat het gevoel van onveiligheid onder Joodse burgers afneemt. Maak dus consequent gebruik van het instrument.
  • Haatspraak op het internet moet worden aangepakt. Het onderzoek laat zien dat een overgrote meerderheid van Joodse inwoners hier direct of indirect antisemitisch bejegend wordt. Deze aanbeveling is tevens in lijn met de verklaring van de Raad van de Europese Unie van 6 december. Hierin wordt de Europese Commissie opgeroepen
  • Geef een meer centrale rol aan herinneringseducatie. Niets wijst erop dat de relevantie hiervan, zowel voor het tegengaan van antisemitisme als racisme in het algemeen, met verloop van tijd vermindert.

Vele regeringsleiders hebben laten weten dat Europa Europa niet zou zijn zonder zijn Joodse gemeenschap. Het FRA-onderzoek laat zien dat hier helaas aan herinnerd moet worden, gezien de zorgen die bestaan bij Europa’s Joodse inwoners. Het is daarom van belang dat de resultaten van dit onderzoek vertaald worden naar verdere inspanningen om het probleem van antisemitisme de wereld uit te helpen.