Wat doet minister Grapperhaus om de aangiftebereidheid bij discriminatie te verhogen?

Wat is het beleid van de Minister van Justitie en Veiligheid Ferd Grapperhaus om de aangiftebereidheid bij discriminatie te verhogen? Die vraag stellen Kamerleden Kirsten van den Hul (PvdA), Vera Bergkamp (D66) en Nevin Özütok (GroenLinks).

Aanleiding voor de vraag is het bericht over gebrek van actie van de politie bij iemand die langdurig homofobe bedreigingen te verduren kreeg. Het slachtoffer deed aangifte maar de politie ging daar laks mee om. Op het bureau werd zelfs gesuggereerd dat het slachtoffer van de homofobe bedreigingen maar zelf de dader moest opsporen.

Wie het verhaal in het Parool leest, krijgt een treurig beeld voorgeschoteld wat betreft het aanpakken van discriminatie door de politie. De Kamerleden vragen daarom aan minister Grapperhaus wat zijn beleid is om aangiftebereidheid bij discriminatie te verhogen. Van den Hul, Bergkamp en Özütok willen tevens weten wat de plannen van de bewindspersoon op Justitie en Veiligheid zijn om deze aangiftes van discriminatie vaker tot veroordelingen leiden – 

Het CIDI, de antisemitismewaakhond in Nederland, herkent het beeld van lage aangiftebereidheid. Regelmatig geven melders van een antisemitisch incident bij het CIDI aan dat ze zich door de politie niet serieus genomen voelen, in sommige gevallen is er zelfs geen sprake van bereidheid de aangifte op te nemen. Hierdoor is de meldingsbereidheid laag.

Een onderzoek door het Fundamental Rights Agency bevestigt dat aangiftebereidheid onder slachtoffers van antisemitisme laag is. In de enquête door de FRA, heeft slechts 25% laten weten antisemitische incidenten die ze zijn overkomen te hebben gemeld bij de politie, een belangenorganisatie of elders.

Uitvoering aangenomen motie
Van den Hul, Bergkamp en Özütok houden bij minister Grapperhaus de vinger aan de pols over hun recent aangenomen motie over een onderzoek naar de inzet van gespecialiseerde rechercheurs bij discriminatie. De motie “verzoekt de regering, met een open blik de ervaringen uit het buitenland met gespecialiseerde discriminatierechercheurs te bestuderen, in gesprek te gaan met belangenorganisaties, politie en het Openbaar Ministerie en op basis hiervan te onderbouwen of de inzet van gespecialiseerde rechercheurs bij discriminatie kan leiden tot meer succesvol afgeronde zaken en daarmee vergroting van de meldingsbereidheid”.

Naar aanleiding van de motie, heeft minister Grapperhaus een brief aan de Kamer gestuurd over uitvoering van de motie. De minister verwijst naar een reeds lopend onderzoek van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) “naar de speciale behoeften van slachtoffers van hate crime ten aanzien van het strafproces en slachtofferhulp”. Dit onderzoek wordt binnenkort aan de minister voor Rechtsbescherming – Sander Dekker – aangeboden, zo deelt de bewindspersoon op Justitie en Veiligheid mee.

Naar aanleiding van de aangenomen motie wordt dus geen nieuw onderzoek uitgevoerd. In plaats daarvan verwijst minister Grapperhaus naar het WODC-onderzoek. Naar aanleiding hiervan vragen Van den Hul, Bergkamp en Özütok of het klopt dat de minister “geen apart onderzoek gaat uitvoeren naar gespecialiseerde rechercheurs”. De Kamerleden zetten dan ook vraagtekens bij het WODC-onderzoek, en willen weten of deze wel aansluit bij de uitvoer van de aangenomen motie.

Het is zeer benieuwend wat het WODC zal concluderen over de inzet van gespecialiseerde rechercheurs bij discriminatie. Ieder initiatief dat de aangiftebereidheid onder slachtoffers kan vergroten, dient serieus overwogen te worden.