Blok en Kaag: geen voorstander importverbod op goederen uit Israelische nederzettingen

Ministers Stef Blok en Sigrid Kaag zijn tegen een importverbod op goederen uit Israelische nederzettingen op de Westelijke Jordaanoever. Het Kabinetsstandpunt wordt door de bewindspersonen op Buitenlandse Zaken herhaald in antwoord op Kamervragen van de SP en de PvdA.

Naar aanleiding van een campagne van Amnesty International tegen de zogenaamde digitale toeristenindustrie die ook in Israelische nederzettingen actief is, hadden Sadet Karabulut (SP) en Kirsten van den Hul en William Moorlag (PvdA) Kamervragen ingediend. 

In antwoord op de vragen, laten ministers Blok en Kaag weten dat het Kabinet “geen voorstander van een importverbod van goederen uit nederzettingen of maatregelen die leiden tot een boycot van deze goederen” is. De Nederlandse regering hanteert – in lijn met de EU – geen boycotbeleid, maar een ontmoedigingsbeleid. Dat het Kabinet dit beleid hanteert, hebben verschillende bewindspersonen overigens herhaaldelijk tot in den treure medegedeeld aan Kamerleden die oproepen tot een boycot van Israelische nederzettingen.

Het ontmoedigingsbeleid houdt onder andere in dat de Nederlandse overheid geen diensten verleent aan bedrijven waar het gaat om zaken in Israelische nederzettingen. Nederland en de EU beschouwen de sinds juni 1967 door Israel bezette gebieden niet als Israelisch grondgebied. Bedrijven worden door de overheid over dit standpunt geïnformeerd, aldus ministers Blok en Kaag. Het gaat echter niet om een boycotbeleid: Het is uiteindelijk aan bedrijven zelf “om te bepalen welke activiteiten zij ontplooien en met welke partners zij samenwerken.” 

PvdA-Kamerleden Van den Hul en Moorlag vinden dat de digitale toerismebedrijven die door Amnesty International aangesproken worden op hun activiteiten in Israelische nederzettingen, aangepakt moeten worden. Volgens de Kamerleden verstrekken de bedrijven in kwestie “misleidende informatie.” De PvdA’ers vrezen dat het “niet voor iedereen vanzelfsprekend duidelijk is dat accommodaties met als locatieaanduiding ‘West Bank, Israël’ of Kfar Adumim en Ofra, zich in bezet gebied bevinden.” Ze wilden daarom weten welke mogelijkheden ministers Kaag en Blok zien om “bewustwording omtrent illegale Israëlische nederzettingen en de schending van het internationaal recht onder de aandacht te brengen.”

De bewindspersonen op Buitenlandse Zaken antwoorden dat het van belang is om “het onderscheid tussen Israël en de bezette gebieden te verduidelijken en helderheid te verschaffen richting consumenten.” Dit “in lijn met VN Veiligheidsraad-resolutie 2334 (2016).” Wat de mogelijkheden hiertoe betreft, wijzen de ministers op de “eigen maatschappelijke verantwoordelijkheid” van bedrijven om mensenrechten te respecteren. Het is “aan Nederlandse bedrijven zelf om te bepalen welke activiteiten zij ontplooien en met welke partners zij samenwerken.”

Karabulut had in haar Kamervragen premier Rutte opgeroepen om tijden zijn bezoek aan booking.com het bedrijf aan te spreken op diens activiteiten in Israelische nederzettingen. Van den Hul en Moorlag wilden tevens dat het hoofdkantoor van de boekingswebsite aangesproken wordt “op haar rol in het vergroten van het toerisme naar de illegale nederzettingen.” Blok en Kaag gaan hier echter niet in mee: “Indien een bedrijf vragen heeft over het Nederlandse beleid omtrent Internationaal Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (IMVO) kan het daarover met het ministerie van Buitenlandse Zaken in gesprek gaan,” zo antwoorden de ministers. De bewindspersonen op Buitenlandse Zaken laten daarbij weten dat booking.com te kennen heeft gegeven “voortaan de aanduiding “Israeli settlement” te gebruiken ten aanzien van accommodaties in Israëlische nederzettingen.”