Dossier: Jeruzalem

Juridische status en heikele punten

In vredesonderhandelingen tussen Israel en de Palestijnse Autoriteit is de toekomst van Jeruzalem steevast een van de heetste hangijzers. Zo liepen de Camp David-onderhandelingen in 2000 erop vast. Het religieuze element in het conflict komt nergens zo sterk naar voren als in de discussie over de toekomst van Jeruzalem.

De huidige status van Jeruzalem wordt betwist. Een gedeelte van de stad, in de volksmond vaak (geografisch niet geheel correct) West-Jeruzalem genoemd, maakte onderdeel uit van Israel voor de Zesdaagse Oorlog in 1967. Dit gedeelte van de stad wordt door sommige landen niet expliciet als onderdeel van Israel erkend omdat het onder het Verdelingsplan van 1947 onder internationaal bestuur zou komen te vallen. Dit terwijl deze landen de andere gedeelten van Israel die onder het partitieplan niet Israelisch zouden worden wel als onderdeel van Israel erkennen. Andere landen, zoals Rusland en Australië, erkennen West-Jeruzalem als de Israelische hoofdstad en dus als onderdeel van Israel, maar zeggen hun ambassades pas te zullen verplaatsen wanneer beide partijen een alomvattend vredesakkoord hebben getekend.

Een ander gedeelte van de stad, in de volksmond Oost-Jeruzalem genoemd, werd in 1967 door de Israeli’s op Jordanië veroverd. In datzelfde jaar incorporeerde Israel dit gedeelte van de stad als onderdeel van de gemeente Jeruzalem en werd de Israelische wetgeving er, in tegenstelling tot in de andere veroverde gebieden, onverkort van kracht. De Jeruzalemwet van 1980 bekrachtigde de status van een ongedeeld Jeruzalem als basiswet. Desalniettemin is de juridische status van Oost-Jeruzalem onduidelijk. Israel heeft het in 1967 veroverde gedeelte van de stad nooit expliciet geannexeerd, hoewel er de facto voor de huidige situatie geen noemenswaardig verschil is en veel staten dan ook menen dat er wel degelijk sprake van annexatie is. De Palestijns-Arabische inwoners van Oost-Jeruzalem hebben in afwachting van een definitieve statusbepaling van het gebied een permanente verblijfsvergunning gekregen, niet het Israelisch staatsburgerschap.

De controverse over de status van (de verschillende delen van) Jeruzalem werd goed zichtbaar in de discussie over de aanleg van de eerste tramlijn in de stad, die in 2011 operationeel werd. De tramlijn loopt van West-Jeruzalem langs de Oude Stad en gaat vervolgens via de Arabische wijken Shuafat en Beit Hanina in Oost-Jeruzalem naar de Joodse wijk Pisgat Ze’ev. Tegenstanders van de tramlijn menen dat de infrastructurele integratie van de stad een eventuele latere opdeling onmogelijk maakt. Voorstanders voeren daarentegen de argumenten aan dat de tramlijn Arabische inwoners helpt en dat de Joodse wijken in Oost-Jeruzalem onder ieder denkbaar vredesakkoord onderdeel van Israel zouden zijn. De Palestijnse Bevrijdingsorganisatie (PLO) en een pro-Palestijnse organisatie in Frankrijk daagden de Franse transportbedrijven Veolia en Alstom, die de tramlijn en de trams bouwden, voor de Franse rechter omdat hun activiteiten illegaal zouden zijn. In 2013 oordeelde de rechtbank in Versailles echter dat de tramlijn geen schending van het internationaal recht vormt. De (pro-) Palestijnse organisaties moesten de Franse bedrijven $117 miljoen aan juridische kosten betalen.

Misschien wel het grootste heikele punt is de status van de Oude Stad, waaronder de Tempelberg en de Westmuur (‘Klaagmuur’). Voor Israel is het onacceptabel de controle over de Westmuur te verliezen. De Palestijnen willen echter het bestuur over de Al-Aqsamoskee en Rotskoepel op de Tempelberg op zich nemen. De Oude Stad kent Joodse, Arabische en christelijke wijken. Het vinden van een oplossing voor deze schier ondeelbare kluwen aan plaatsen met grote religieuze significantie zal bij vredesbesprekingen een van de zwaarste uitdagingen worden.