Kamervragen Kuzu over IHRA-definitie antisemitisme beantwoord

Justitieminister Ferd Grapperhaus heeft de recente Kamervragen van DENK-Kamerlid Tunahan Kuzu over het gebruik van de IHRA-werkdefinitie van antisemitisme in Nederland schriftelijk beantwoord. Ook was Kuzu benieuwd naar de juridische status van de IHRA-definitie, die eerder met een Kamermeerderheid werd aangenomen.

Tunahan Kuzu

DENK-parlementariër Tunahan Kuzu

Minister Grapperhaus benadrukte dat de werkdefinitie niet juridisch bindend is, maar dat zij wel gebruikt kan worden voor het beter opsporen en definiëren van antisemitisme. Zo vraagt Kuzu of de definitie “herkenbaar in uitvoering” zou kunnen komen, terwijl deze niet juridisch bindend is, en volgens hem ook geen juridisch relevante rol speelt. Hierop stelt de minister dat hij niet op de vragen wilt vooruitlopen: volgens Grapperhaus moet dat blijken uit concrete casuïstiek.

Verder vraagt Kuzu of de minister al contact heeft gehad met het Openbaar Ministerie omtrent het gebruik van de IHRA-definitie als het gaat om het beoordelen van mogelijke strafbare feiten. Volgens Grapperhaus is het OM van mening dat de IHRA-definitie behulpzaam is voor het alert blijven op bepaalde uitspraken en feiten die mogelijk een discriminatie-aspect zouden kunnen hebben. De minister stelt nogmaals dat de IHRA-definitie niet direct wordt gebruikt als handleiding om te bepalen of iets wel of niet strafbaar is, daarvoor is er nog gewoon het Wetboek van Strafrecht. De IHRA-definitie leidt aldus Grapperhaus “niet tot een andere weging van het bepalen of een bepaalde uiting of gedraging als strafbaar moet worden beschouwd dan wel aanleiding vormt om een hogere straf te eisen. Dit betreft een strafrechtelijke juridische beoordeling. De werkdefinitie verandert niets aan het beoordelingskader of sprake is van een strafbaar feit zoals dat voortvloeit uit de wet en de jurisprudentie en de beleidsregels van het OM zoals bijvoorbeeld de Aanwijzing Discriminatie. In zoverre wordt de IHRA-definitie niet zelfstandig gebruikt bij de beoordeling van de strafbaarheid door het Openbaar Ministerie.”

Kuzu en Grapperhaus zijn het eens over het feit dat kritiek op Israel geen antisemitisme is, en dat dit gelijkstellen de strijd tegen antisemitisme zou schaden. Op vragen of de IHRA-definitie zou leiden tot onjuiste beschuldigingen van antisemitisme, geeft Grapperhaus geen antwoord, omdat de IHRA-definitie niet juridisch bindend is noch als maatstaaf voor concreet beleid geldt.

Kuzu staat bekend om zijn zeer kritische houding tegenover de IHRA-definitie, die breed door de Kamer is aangenomen en ook in het buitenland meer bekendheid krijgt, zo stelde hij al eerder vragen over het gebruik. De definitie zou het volgens critici zoals Kuzu onmogelijk maken om kritiek op Israel te hebben. Toch krijgt de IHRA-definitie meer aanhang en wordt zij in binnen- en buitenland steeds breder gedragen, zo stemde het congres van GroenLinks tegen een anti-IHRA resolutie, bracht de EU recentelijk een handboek uit over het gebruik van de IHRA-definitie en onderschreef zowel de Assemblée Nationale als de Europese Raad de definitie.