Kamervragen over vermeende marteling terreurverdachten UAWC

De gehele linkse oppositie in de Tweede Kamer, evenals D66, heeft vrijdag Kamervragen gesteld over de vermeende marteling van leden van het terroristische Volksfront voor de Bevrijding van Palestina (PFLP) door Israel. D66, GroenLinks, SP en de PvdA willen van ministers Blok en Kaag weten hoe zij aankijken tegen de beschuldigingen van NGO’s dat de Joodse staat Samer Arbid en Abdul Razeq Farraj zou hebben gemarteld tijdens hun verhoor.

Arbid en Farraj, die werkzaam waren voor de omstreden door Nederland gesubsidieerde UAWC, worden verdacht van betrokkenheid bij de aanslag waarbij de 17-jarige Rina Shnerb om het leven kwam. De linkse partijen in de Tweede Kamer zijn echter van mening dat de door het tweetal afgelegde verklaringen niet gebruikt mogen worden, omdat deze zouden zijn afgelegd na marteling. Daarbij baseren de Kamerleden zich op een vorige week verschenen artikel uit NRC.

Op 23 augustus 2019 vond een dodelijke bomaanslag plaats bij de Ein Bubin-bron, nabij de nederzetting Dolev. De 46-jarige rabbijn Eitan Shnerb en zijn 19-jarige zoon Dvir raakten gewond toen het explosief afging. De 17-jarige Rina kwam bij de aanval om het leven. Na de aanslag heeft de Israelische veiligheidsdienst Shin Bet een aantal terreurverdachten gearresteerd, die allen tot dezelfde PFLP-cel zouden behoren die achter de aanslag zit. Samer Arbid wordt ervan verdacht de celleider te zijn. Arbid was eerder de financieel directeur van de UAWC, en werd de afgelopen jaren regelmatig gearresteerd omdat hij deel uitmaakt van de PFLP.

Een andere medewerker van UAWC, Abdul Razeq Farraj, wordt ook verdacht van betrokkenheid bij de aanslag. Hij zou volgens de aanklacht samen met hoofdverdachte Arbid verantwoordelijk zijn geweest voor het voorbereiden van de aanval. Arbid hield Farraj op de hoogte van alle ontwikkelingen, en de laatstgenoemde rekruteerde ook nieuwe terroristen. Hoewel Farraj sinds 1985 om de haverklap werd opgepakt voor terroristische activiteiten, ging hij 2017 als vertegenwoordiger van de UAWC op de foto met Nederlandse ambtenaren. Beide PFLP’ers ontvingen bovendien tot voor kort salaris uit de Nederlandse subsidiepot. 

‘Waarheid boven water’

Volgens het afgelopen woensdag verschenen NRC-artikel zouden Arbid en Farraj na hun meest recente aanhouding zijn gemarteld. Dit zou ertoe hebben geleid dat Samer Arbid zijn betrokkenheid bij de aanslag bij de Ein Bubin-bron heeft bekend. Het is echter nog maar de vraag of deze claim van de organisatie Addameer in NRC klopt. Er loopt op dit moment nog een onderzoek naar het verhoor van Samer Arbid. Openbaar aanklager Shai Nitzan zei eind vorig jaar “geen steen onberoerd te laten om de waarheid boven water te krijgen”. Het is onduidelijk wat er precies heeft plaatsgevonden tijdens het verhoor van Arbid. Aanklager Nitzan sloot destijds niet uit dat het PFLP-lid bijvoorbeeld simpelweg een hartaanval had gekregen.

De door de krant aangehaalde bron Addameer – een organisatie die zich zegt in te zetten voor Palestijnse gevangenen – heeft bovendien net als de UAWC innige banden met de PFLP. Uit een in mei verschenen case study van het Israelische ministerie van Strategische Zaken bleek dat in ieder geval 11 functionarissen van Addameer tevens deel uitmaken van de terreurgroep. Een daarvan is nota bene terreurverdachte Samer Arbid zelf, die eerder geregistreerd stond als de accountant van Addameer.

Kamervragen

Naar aanleiding van het artikel in NRC stelden linkse partijen in de Tweede Kamer vrijdag vragen aan ministers Blok (Buitenlandse Zaken) en Kaag (Ontwikkelingssamenwerking). D66, GroenLinks, SP en de PvdA willen weten of Blok en Kaag ook van mening zijn dat Israel in strijd heeft gehandeld met mensenrechtenverdragen, door de vermeende marteling van Samer Arbid en Abdul Razeq Farraj. “En zo ja, welke gevolgen verbindt u hieraan met inachtneming van artikel 15 van de Conventie tegen Marteling, die bepaalt dat een verklaring die is afgelegd als gevolg van marteling niet gebruikt mag worden als bewijs in een proces?”, zo vragen de partijen zich af.

Ook willen ze weten hoe de ministers denken over het feit dat het proces plaatsvindt voor een militaire rechtbank. Palestijnen in de Westoever vallen niet onder het reguliere Israelische recht, maar onder militair recht. Ze zijn immers geen burgers van Israel. Het toepassen van Israelisch recht op Palestijnen in de Westoever – in de volksmond ook wel annexatie genoemd – is zeer controversieel. Zolang er nog geen definitieve vredesovereenkomst is tussen Israel en de Palestijnse Autoriteit worden Palestijnen daarom berecht door een militaire rechtbank. De vragenstellers willen weten of Nederland dit proces monitort, en of de regering zorgen over de detentie en vermeende marteling van Arbid en Farraj heeft overgebracht aan Israel.

Nederlandse subsidie

Ministers Blok en Kaag gaven afgelopen week ook antwoord op de drie sets aan meest recente Kamervragen van de VVD, PVV, CDA, ChristenUnie en SGP over de Nederlandse subsidie aan de UAWC. De eerste set Kamervragen werd op 22 juli ingediend door de VVD, PVV, ChristenUnie en SGP. Een dag later volgden ook CDA-Kamerleden Martijn van Helvert en Pieter Omtzigt. Op 4 augustus stelden de CDA’ers vervolgens nadere vragen, waarin ze Kaag stevig aan de tand voelden. Ze wilden vooral weten waarom de minister pas in juli een onderzoek naar de UAWC aankondigde, terwijl Nederland in ieder geval 11 maanden eerder al bekend was met het feit dat PFLP-leden en UAWC-medewerkers Arbid en Farraj werden verdacht van betrokkenheid bij de aanslag waarbij de 17-jarige Rina om het leven kwam.

Uit de antwoorden (2020D32015, 2020D32016 en 2020D32023) blijkt dat het onderzoek naar de (reeds uitgebreid gedocumenteerde banden) tussen de PFLP en UAWC nog van start moet gaan. “Het ministerie van Buitenlandse Zaken is gestart met de werving van een externe partij voor dit onderzoek. Het onderzoek is gericht op eventuele banden tussen PFLP en UAWC en de wijze waarop UAWC invulling geeft aan het eigen beleid dat medewerkers politiek niet actief mogen zijn”, aldus de ministers. Hangende het onderzoek worden er geen betalingen gedaan aan de Palestijnse NGO, ook niet indirect. Eerder liet Kaag weten dat het onderzoek naar verwachting in het najaar afgerond moet zijn.

In de beantwoording benadrukken de ministers opnieuw dat pas tijdens archiefonderzoek vorige maand bleek dat de terreurverdachten salaris ontvingen uit de Nederlandse subsidiepot. Op 3 oktober 2019 vond er reeds een gesprek plaats tussen de Nederlandse vertegenwoordiging in Ramallah en de UAWC, maar daarin gaf de organisatie aan dat Arbid en Farraj niet betrokken waren bij het door Nederland gefinancierde project. Uit de archieven bleek echter dat beide PFLP’ers vanaf januari 2013, tot hun arrestatie in september en oktober, gedeeltelijk betaald werden met Nederlandse subsidiegelden.